Verschillende soorten toetsvragen

Soms denk je dat je heel goed geleerd hebt, want je kent alle begrippen. Op de toets kun je echter bijna geen vragen invullen. Hoe dat komt? Je hebt niet op de juiste manier geleerd. Leraren stellen namelijk verschillende soorten toetsvragen. Daarmee testen ze niet alleen of je de begrippen kent, maar ook of je de leerstof kunt toepassen en of je beschikt over voldoende inzicht.

Grofweg kun je het volgende onderscheid in toetsvragen maken, waarbij de vragen zich opbouwen in moeilijkheidsgraad:

  • Kennisvragen. Deze vragen toetsen of je in staat bent om feiten te onthouden en te reproduceren. Het uitleggen van het begrip “socialisatie” bij het vak Maatschappijleer is een voorbeeld van een kennisvraag.
  • Toepassingsvragen. Een toepassingsvraag test of jij wat je geleerd hebt ook kunt gebruiken in een andere situatie. Veel vragen bij wiskunde zijn toepassingsvragen.
  • Inzichtsvragen. Bij inzichtsvragen moet je altijd even nadenken. Leraren stellen dit soort vragen om te achterhalen of je de leerstof ook daadwerkelijk begrijpt. Een voorbeeld van een inzichtsvraag bij het vak economie is de vraag “Wat gebeurt er met de werkloosheid als de inflatie stijgt?”.
  • Analysevragen. Of je in staat bent om verbanden te leggen tusssen verschillende onderdelen van de leerstof, toetst een docent aan de hand van analysevragen. Bij geschiedenis kun je bijvoorbeeld de volgende analysevraag krijgen: “Welke oorzaken kun je na het bestuderen van WOI en WOII aangeven voor het ontstaan van oorlogen?”
  • Evaluatievragen. Hierbij gaat het erom dat je kritisch kunt nadenken en een beargumenteerd oordeel kunt geven. Bij een boektoets van Nederlands moet je bijvoorbeeld uitleggen of je een door jou gelezen boek aan een ander aan zou raden en waarom.
  • Synthesevragen. Synthesevragen vereisen dat je creatief met de lesstof omgaat. Je moet wat je geleerd hebt zelf samenvoegen tot iets nieuws. Je aardrijkskundedocent vraag je bijvoorbeeld om jouw oplossing voor het dreigende voedseltekort op aarde.

Tips voor de toets van wiskunde

Help! Binnenkort heb je een toets van wiskunde. Dat je nauwkeurig moet werken en altijd je berekening op moet schrijven, dat wist je vast al wel. Maar dat is niet het enige waar je op moet letten bij de toets. Hierbij vier tips:

  1. Lees eerst de hele opgave rustig door. Dan weet je waar de vraag naartoe gaat en welke gegevens uit de opdracht je wanneer nodig hebt.
  2. Als het een lange opdracht is, helpt het om de belangrijke wiskundige gegevens te onderstrepen of op een kladblaadje te schrijven. Wiskunde gegevens zijn natuurlijk alle formules en getallen die je tegenkomt, maar ook zaken als “h in meters” en “t in weken”.
  3. Als je de opgave afhebt, bedenk je dan de volgende twee punten: (a)
    Welke eenheid moet erachter (cm, m, °C, km/uur, cm, weken, etc). Dit staat altijd in de vraag! en (b) Op hoeveel decimalen moet je afronden? Als er niets staat, rond je af op twee decimalen.
  4. Vraag je altijd af of je antwoord logisch is. Als de vraag bijvoorbeeld is hoeveel liter water er in een ton past, kan het antwoord nooit -3,6 zijn

Succes!

Leertips: Samenvatten

Voor vakken als geschiedenis, levensbeschouwing, maatschappijleer, biologie en aardrijkskunde moet je vaak veel tekst lezen en leren. Het maken van een samenvatting is dan handig. Samenvatten is een goede manier om actief met de lesstof om te gaan, zodat je het beter onthoudt. Ook is samenvatten een goede voorbereiding op de toets. Je moet immers de hoofdzaken uit de tekst halen. Maar…. hoe maak je nou een goede samenvatting?

  1. Je maakt een samenvatting per paragraaf. Begin met globaal lezen. Je kijkt naar de titel, tussenkopjes, plaatjes en opvallende woorden. Vraag jezelf af waar de tekst over zou kunnen gaan en wat je al van dit onderwerp weet.
  2. Vervolgens ga je de tekst goed doorlezen. Onderstreep of markeer de belangrijkste woorden, of schrijf ze op een kladblaadje. Tip: meestal staat de belangrijkste informatie in de eerste of laatste zin van een alinea.
  3. Je begint met het maken van de samenvatting. Neem de titel van de paragraaf over en schrijf ook de tussenkopjes op. Probeer per alinea in één zin op te schrijven waar het over gaat. Doe dit ook voor de andere alinea’s. Het is heel belangrijk dat je de samenvatting in je eigen woorden schrijft. Letterlijk zinnen uit het boek overnemen heeft namelijk geen zin.

Het maken van een samenvatting zal in het begin lastig zijn en vrij veel tijd kosten. Als je het vaker doet zul je merken dat het steeds sneller gaat, en dat je ook beter weet waar je de belangrijkste informatie in een tekst kunt vinden. Samenvatten moet je ook leren!

Huiswerk maken, hoe doe jij dat?

Huiswerk maken, dat is: je agenda openslaan, op Magister kijken, met je vrienden Whats’Appen, dat leuke nummer opzoeken op YouTube, de laatste Instagramposts bekijken, zo nu en dan in je geschiedenisboek lezen en tot slot het antwoord op de vraag invullen. Moet lukken toch?

Nou, nee. Multitasken, verschillende dingen tegelijk doen, bestaat niet. Mensen kunnen maar één ding tegelijk doen. Als je zo veel verschillende dingen tegelijk doet, ben je aan het “taskswitchen”. Je schakelt dan constant van de ene naar de andere taak. Dit taskswitchen verstoort de aandacht en het denken. Waar je mee bezig bent duurt dan twee keer zo lang en gaat ten koste van de kwaliteit. Je maakt dan sneller fouten. Als je snel van je huiswerk af wil zijn, is dat dus niet zo handig.

Effectief studeren en een goede concentratie gaan dus het beste als je één ding tegelijk doet. Vooral het gebruik van social media tijdens het leren is een grote afleider. Social media zijn gemaakt om de aandacht te trekken. Slim dus om je telefoon niet in de buurt te hebben als je met huiswerk bezig bent. Uiteindelijk heb je dan meer tijd over om leuke dingen te doen, doordat je sneller met je huiswerk klaar bent.

Jezelf overhoren: hoe dan?

Altijd handig, zo’n ouder, vriend of vriendin, klasgenoot of studiebegeleider die je vragen stelt, maar soms is het ook handig als je jezelf kunt overhoren. De volgende manieren kun je inzetten om bij jezelf na te gaan of je het geleerde ook echt kent:

  • Bij het leren van woordjes kun je gebruikmaken van de zogenaamde afdekmethode of jezelf laten overhoren door een van de vele overhoorwebsites zoals wrts en woordjesleren.nl.
  • Bij vakken als geschiedenis, aardrijkskunde en biologie kun je vragen formuleren die over de lesstof gaan. Stel vragen die beginnen met de volgende woorden: Wie? Waarheen? Wat? Wanneer? Waardoor? Waarvandaan? Waarmee? Waarom? Hoe? Als je deze vragen over een bepaalde onderwerp kunt beantwoorden, dan weet je er al heel wat van. Je kunt ook vragen formuleren op basis van de leerdoelen die bij sommige vakken worden opgegeven.
  • Je kunt ook jezelf overhoren door aan een ander te vertellen waar de leerstof over gaat. Hierdoor onthoud je beter wat je moet leren, en merk je ook welke stukken van de leerstof je nog niet zo goed kent.

Leerstrategieën: manieren om makkelijker te leren

Studiebegeleiding draait om het eigen maken van leerstrategieën: leren hoe je moet en kunt leren. Leerstrategieën zijn manieren die je bewust kunt inzetten om het leren zo soepel mogelijk te laten verlopen. Ze helpen je om zelfstandig te leren en het beste uit jezelf te halen. In het boek Zelfregulerend Leren. Effectiever leren met leerstrategieën van Pieternel Dijkstra worden veertien leerstrategieën opgesomd die je kunt inzetten om efficiënt en effectief te leren:

  1. Overzien: Als je deze leerstrategie beheerst, dan kun bijvoorbeeld je uitleggen welke verschillende manieren er zijn om iets te leren, welke stappen je moet nemen om iets te onthouden en uitleggen hoe je een bepaald probleem het beste kunt oplossen.
  2. Jezelf kennen: Je weet wat je sterke en zwakke punten zijn als het om leren gaat. Je kunt aangeven wat je moeilijk of makkelijk vindt en waarom. Ook weet je welke manier van leren bij je past en waar je nog mee moet oefenen.
  3. Vooruitkijken: Als je de leerstrategie vooruitkijken gebruikt, dan kun je plannen en prioriteiten stellen, voor een goede werkplek zorgen en goed inschatten hoe lang je met een bepaalde taak bezig zult zijn.
  4. Bijhouden: Je controleert tijdens het maken van een opdracht of je het nog begrijpt, vraagt jezelf regelmatig af hoe het leren gaat, vraagt om hulp als je vastloopt en voert je planning uit.
  5. Terugkijken: Je controleert antwoorden en berekeningen, kunt na een toets inschatten hoe je het hebt gedaan en bent in staat om na te denken over wat je beter of anders had kunnen doen.
  6. Herhalen: Als je deze leerstrategie beheerst, dan neem je de leerstof voor een proefwerk of so meerdere malen door, onderstreep je belangrijke woorden of zinnen in de tekst of stampt woordjes (Bijvoorbeeld met wrts of Quizlet).
  7. Verdiepen: Deze leerstrategie is een aanvulling op de leerstrategie Herhalen. Alleen herhalen is namelijk niet genoeg om informatie te onthouden. Als je deze leerstrategie gebruikt, dan maak je in eigen woorden een samenvatting van de leerstof, stel je jezelf inhoudelijke vragen erover, ben je in staat om bij de leerstof voorbeelden te bedenken, maak je aantekeningen als de leraar iets vertelt in de les en kun je verbanden legen tussen de stof en wat je al eerder hebt geleerd.
  8. Structureren: Je ordent de leerstof, vat samen, maakt tabellen of grafieken, of een mindmap. Ook kun je de hoofdzaken van de leerstof kort en bondig opnoemen.
  9. Jezelf organiseren: Beheers je deze leerstrategie, dan kun je gericht aan een doel werken, doe je ook bij lastige taken je best, laat je je niet afleiden en houd je je aandacht erbij.
  10. Omgeving organiseren: Je zoekt een geschikte plek om huiswerk te maken om te leren.
  11. Anderen organiseren: Je vraagt om hulp als je ergens niet uitkomt en zorgt ervoor dat anderen je niet afleiden.
  12. Jezelf vertrouwen: Als je jezelf vertrouwt, ga je ervanuit dat je een bepaalde taak of opdracht aankan. Je laat je niet remmen door twijfels of een gebrek aan zelfvertrouwen, bent niet te zenuwachtig voor toetsen of presentaties en bent positief over je prestaties.
  13. Het nut zien: Gebruik je deze leerstrategie, dan kun je uitleggen waarom bepaalde taken belangrijk zijn, wat het nut ervan is, ben je geïnteresseerd in de stof en kun je voorbeelden noemen waarbij een bepaalde vaardigheid van pas komt.
  14. Jezelf motiveren: Je investeert tijd en energie in je schoolwerk, maakt taken af, wil een goede prestatie neerzetten en jezelf verbeteren, hebt weinig aanmoediging nodig en bent trots op je werk.

Bron: Dijkstra, Pieternel. 2015. Zelfregulerend leren. Effectief leren met leerstrategieën. Amsterdam: Boom Uitgeverij.

Tips voor plannen

Vijf tips voor om je schoolwerk te plannen

Een heel belangrijk onderdeel van studiebegeleiding is het plannen en organiseren van het schoolwerk. Hierbij gaat het dan zowel om het maakwerk als om het leerwerk. Wij geven vijf tips:

  1. Gebruik een agenda met een weekoverzicht. Dan kun je snel en makkelijk zien wat je in een bepaalde week moet doen.
  2. Kies een vaste dag om te plannen en plan dan altijd een week vooruit.
  3. Gebruik verschillende kleuren: markeer bijvoorbeeld proefwerken met geel en inlevermomenten met oranje.
  4. Plan maakwerk op de dag dat je het hebt opgekregen.
  5. Leerwerk moet je verdelen over een aantal dagen. Begin bijvoorbeeld vier dagen van tevoren met leren voor een proefwerk. De stof kun je dan in kleine stukken opdelen.
  6. De dag voor een proefwerk of so moet je altijd alle leerstof herhalen.
  7. Plan niet te veel op één dag: houd ook rekening met andere dingen die je moet doen, bijvoorbeeld sporten.
  8. Streep je huiswerk door als het klaar is.

Tips voor het aanleren van een groeimindset

Je mindset is jouw idee over wat je kunt en hoe slim je bent. De term mindset is bedacht door de Amerikaanse psychologe Carol Dweck. Er zijn twee soorten mindset te onderscheiden: de vaste mindset en de groeimindset.

Leerlingen met een vaste mindset geloven dat hun eigenschappen vaststaan. Ze denken dat ze geboren zijn met een bepaalde mate van intelligentie en dat dat niet zal veranderen. Leerlingen met een groeimindset denken heel anders. Zij geloven dat ze zichzelf door oefening steeds kunnen blijven ontwikkelen en verbeteren.

Een stuk positiever dus, zo’n groeimindset. Het kan je ook ondersteunen bij het verbeteren van je schoolprestaties. De volgende tips helpen je misschien om je ‘vaste gedachten’ om te vormen tot ‘groeigedachten’:

  • Probeer elke keer dat je denkt ‘ik kan dit niet’, verschillende stappen te bedenken die erbij kunnen helpen om iets wél te kunnen.
  • Probeer verschillende leerstrategieën uit. Niet alles werkt voor iedereen. Zo is samenvatten een goede leerstrategie voor sommige leerlingen, maar werkt het voor andere leerlingen beter om een mindmap te maken of om studiekaarten te maken.
  • Probeer een onvoldoende voor een proefwerk niet als falen te zien. Bekijk je antwoorden nog eens, en vraag de docent om tips om het de volgende keer beter te kunnen doen.
  • Geef niet op bij tegenslag, maar bedenk hoe je hebt geleerd en wat je de volgende keer anders zou kunnen doen.
  • Ga uitdagingen niet uit de weg, maar ga ze aan! Stel jezelf dus als doel om voor het volgende proefwerk wiskunde een 7,5 te halen, ook al vind je het heel moeilijk.

Succes!


Bron: www.platformmindset.nl

Intrinsieke motivatie verbeteren – hoe doe je dat?

De intrinsieke motivatie van leerlingen stimuleren

De schoolprestaties van leerlingen verbeteren aanzienlijk als zij gemotiveerd zijn om hun best te doen. Leerlingen motiveren is echter niet zo makkelijk. In dit artikel wordt ingegaan op de vraag hoe de intrinsieke motivatie van leerlingen kan worden gestimuleerd, zodat zij zich beter inzetten voor school en daar ook meer zin in hebben.

Extrinsieke en intrinsieke motivatie

Doorgaans wordt er een onderscheid gemaakt tussen extrinsieke en intrinsieke motivatie. Intrinsieke motivatie is motivatie die uit de leerling zelf komt. Als een leerling intrinsiek gemotiveerd is voor school, zal zij het huiswerk maken en leren voor toetsen omdat ze dat zelf graag wil, niet omdat ze van buitenaf wordt gestimuleerd om dit te doen. Dat is extrinsieke motivatie. Leerlingen kunnen extrinsiek gemotiveerd worden door bijvoorbeeld beloning of straf. Om gemotiveerd te zijn en blijven, hebben leerlingen ruimte nodig, ruimte om hun eigen weg uit te stippelen. Krijgen zij deze ruimte niet, dan kan dit leiden tot motivatieproblemen, omdat het hun intrinsieke motivatie teniet doet.

Basisbehoeften autonomie, relatie en competentie

Om intrinsiek gemotiveerd te raken voor school, moet voldaan worden aan de basisbehoeftenautonomie, relatie en competentie:

  • Autonomie: de leerling moet het gevoel hebben zelf iets te kunnen.
  • Relatie: de leerling moet zich verbonden voelen met anderen, moet ervaren dat anderen hem of haar waarderen en dat anderen met hen of haar willen omgaan.
  • Competentie: de leerlingen hebben geloof in hun eigen kunnen en plezier in wat ze doen.

Dat klinkt heel eenvoudig, maar in het huidige schoolsysteem raken vooral de behoeften autonomie en competentie vaak ondergesneeuwd. Het gevolg: ongemotiveerde leerlingen, die nog ongemotiveerder raken doordat ze slechte cijfers halen.

Inspelen op de basisbehoeften

Hoe daar op ingespeeld moet worden? Dat is natuurlijk per leerling verschillend, maar er zijn een aantal voorbeelden te geven. Aan de basisbehoefte autonomie kan voldaan worden als leerlingen een gestructureerde mate van ruimte en keuze krijgen. Dus niet overnemen, maar samen doen. Door begeleiding en ondersteuning kunnen zij leren hoe ze hun schoolwerk het beste kunnen aanpakken, en hoe en wanneer ze voor proefwerken leren. Op de basisbehoefte relatie kan worden ingespeeld door naar de leerlingen te luisteren, door ze vertrouwen te geven, maar ook door in te grijpen als dat echt nodig is. Voor studiebegeleiding betekent het: uitnodigende omstandigheden creëren, goede voorbeelden geven, uitdagen en ondersteunen. De basisbehoefte competentie kan tot slot worden voorzien door een stapsgewijze begeleiding, met positieve maar reële verwachtingen, en natuurlijk door beschikbaarheid van hulp en ondersteuning.

In het kort: de intrinsieke motivatie van leerlingen kan gestimuleerd worden door in te spelen op de basisbehoeften autonomie, relatie en competentie. Dit kan door een positieve leeromgeving te creëren, leerlingen uit te dagen en hen te ondersteunen.

Bron: Stevens, L. (red.). (2004). Zin in School. Amersfoort: CPS