Gratis introlessen studiebegeleiding voor brugklassers bij Studiekunst Lent

Gaat uw zoon of dochter volgend schooljaar naar de middelbare school? De overstap van basisschool naar brugklas is vaak groot; studiebegeleiding kan daar een uitkomst in bieden. Als u zich vóór 31 augustus aanmeldt, kan uw zoon of dochter in de maand september twee gratis introlessen volgen bij Studiekunst Lent.

Wij bieden huiswerk- en studiebegeleiding aan middelbare scholieren in Nijmegen-Noord en omgeving. In ons pand aan de Griftdijk-Zuid worden leerlingen in een kleine setting begeleid door een docent. Centraal staan plannen en organiseren en het aanleren van studievaardigheden. Het doel van de begeleiding is zelfstandigheid, zelfwerkzaamheid en zelfvertrouwen in leren en huiswerk maken.

De eerste introles zal een kennismaking zijn, waarbij uw zoon of dochter leert werken met de agenda. Tijdens de tweede introles kan uw zoon of dochter aan de slag met het opgegeven huiswerk. Voor vragen of aanmelden kunt contact opnemen met Heleen Janssens via lent@studiekunst.nl of 06 1205 7059. Meer informatie over Studiekunst Lent vindt u hier.

Studietips voor leerlingen met ADHD

Voor leerlingen met ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) kan het probleemloos doorlopen van de middelbare school een hele opgave zijn. Kenmerkend voor leerlingen met ADHD zijn aandachtstekort, hyperactiviteit en impulsief gedrag. Deze leerlingen zijn snel afgeleid, willen alles tegelijk doen, zijn vaak vergeetachtig, kunnen moeilijk stil zitten, zijn altijd bezig, doen zonder na te denken en/of hebben moeite om in de klas op hun beurt te wachten. Er zijn ook positieve kanten: leerlingen met ADHD zijn vaak enthousiast en spontaan, creatief, probleemoplossend en kunnen zich hyperfocussen als ze iets interessant vinden.

De volgende studietips zijn bruikbaar voor leerlingen met ADHD:

  1. Structuur is heel belangrijk. Daarom is het van belang om regelmatig en op een vast moment te plannen. Je kunt bijvoorbeeld elke vrijdag een week vooruit plannen. Zorg voor een gedetailleerde planning. Schrijf op wat je gaat doen, hoe je dit gaat doen, en hoe lang je dit gaat doen. Laat ruimte over voor als het je een keer niet lukt om je aan je planning te houden.
  2. Zorg voor een rustige werkomgeving met zo min mogelijk afleiding. Dat kan je slaapkamer zijn, maar misschien is het ook fijn om op zolder te zitten, of beneden aan de eettafel. Leg zo min mogelijk spullen op tafel, maar alleen datgene wat je echt nodig hebt. Je telefoon is misschiene wel de grootste afleider, leg die dus ver uit de buurt!
  3. Bedenk geheugensteuntjes om jezelf aan het leren te krijgen. Dat kan bijvoorbeeld iemand zijn die jou eraan herinnert, je agenda, een vast tijdstip waarop je werkt, een alarm op je telefoon, een afspraak om met een klasgenoot samen te werken, of studiebegeleiding.
  4. Probeer verschillende leerstrategieën uit om te zien wat bij jou past. De lesstof van vakken als geschiedenis en aardrijkskunde kun je overzichtelijker maken door samen te vatten of te mindmappen. Ook kun je verschillende manieren gebruiken om woordjes te leren, bijvoorbeeld de afdekmethode, wrts, of het maken van flitskaartjes.
  5. Houd op tijd pauze en probeer bij jezelf te herkennen wanneer je niet meer zo goed kunt werken. Vaak is het beter om meerdere keren kort achter elkaar te leren, dan aan één stuk door. Het is dus beter om drie keer twintig minuten te leren, met steeds vijf minuten pauze tussendoor, dan een uur achter elkaar.

Wist je dat? Naast deze ADHD studietips geeft Studiekunst ook nog een heleboel andere tips voor het leren. Je vindt ze hier.


Bronnen:
  • Wij-leren.nl, Kennisplatform voor het onderwijs: http://wij-leren.nl/adhd-uitleg.php
  • Expertisecentrum Begeleid Leren: http://www.begeleidleren.nl/php/downloadproducten/Studeren%20en%20ADHD.pdf

Metacognitieve reflectie: nadenken over het eigen leren

Metacognitieve reflectie, oftewel het nadenken over het eigen leren, is een belangrijke studievaardigheid. Overpeinzen en reflecteren zijn belangrijke leerstrategieën, omdat je op deze manier bewustzijn en controle ontwikkeld. Je kunt op drie verschillende manieren reflecteren:

  1. Reflectie vooraf aan de actie (plannen).
  2. Reflectie tijdens de actie (monitoren).
  3. Reflectien na de actie (evalueren).

Het doel van reflectie is er achter komen wat je al goed doet, en wat je kunt verbeteren. Zo kun je bijvoorbeeld voorkomen dat je twee keer dezelfde fout maakt, of zorg je er voor dat je een vergelijkbare opdracht op een andere manier aanpakt, omdat je hebt ontdekt dat dit veel efficiënter kan. Door leerlingen te stimuleren om tijdens hun gehele leerproces verschillende momenten van reflectie in te bouwen, ontwikkelen zij de vaardigheid om hun eigen leren actief bij te sturen. Het bijsturen gebeurt dan niet pas achteraf. Om te reflecteren vooraf en tijdens het leren of maken van huiswerk kunnen leerlingen zichzelf de volgende vragen stellen:

  • Wat ga ik doen?
  • Hoe ga ik dit doen?
  • Wat werkte bij vergelijkbare opdrachten?
  • Waarom kies ik voor deze aanpak?
  • Welke nieuwe vragen roept het resultaat op?
  • Hoe is mijn werktempo?
  • Ben ik nog voldoende geconcentreerd?

Bron:
  • Inge Verstraete & Karin Nijman (2016) Handboek leren leren voor het voortgezet onderwijs: 5 krachtige leerprincipes vertaald naar de praktijk. Huizen, Pica
  • Wij-leren.nl, Kennisplatvorm voor het onderwijs: http://wij-leren.nl/reflecteren.php

Waarom is herhaling zo belangrijk?

Je hebt het vast al heel vaak gehoord: herhaling is belangrijk als je leert voor vakken als Frans, geschiedenis, aardrijkskunde, Engels, wiskunde… of wacht eens even! Herhaling is eigenlijk bij alle vakken belangrijk. Het zit namelijk zo: hoe vaker je herhaalt, hoe beter je de stof zult onthouden. Het komt dan namelijk terecht in je langetermijngeheugen.

Je hebt verschillende soorten geheugen. Naast het langetermijngeheugen heb je ook het kortetermijngeheugen. Veel van wat in het kortetermijngeheugen wordt opgeslagen verdwijnt na een tijdje weer. Gelukkig maar, want een heleboel van de dingen die je dagelijks ziet en hoort zijn niet belangrijk genoeg om te onthouden. In je kortetermijngeheugen is niet veel opslagruimte: het zit snel vol. Als er te veel informatie in je kortetermijngeheugen zit, dan wordt deze oude informatie vervangen door nieuwe informatie.

Om informatie voor langere tijd te onthouden, is het belangrijk dat deze van het kortetermijngeheugen wordt verplaatst naar het langetermijngeheugen. Om te zorgen dat dat op een goede manier gebeurt, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Deze worden ook wel betekenis, aandacht, herhaling en koppeling genoemd:

  1. Betekenis: als informatie betekenisvol of relevant is, wordt het beter opgeslagen.
  2. Aandacht: als je meer aandacht hebt bij wat je hoort of leest, kun je de informatie beter opslaan.
  3. Koppelen: nieuwe kennis kun je het beste verbinden aan wat je al weet.
  4. Herhalen: door middel van herhaling wordt informatie van het kortetermijngeheugen overgebracht naar het langetermijngeheugen.

Dus, hoe vaker je de leerstof doorneemt, oefent, of je laat overhoren, hoe groter de kans dat het wordt opgeslagen in je langetermijngeheugen. Hiermee wordt ook de kans op een goed cijfer voor de toets aanzienlijk groter!


Bronnen:
  • Inge Verstraete & Karin Nijman (2016) Handboek leren leren voor het voortgezet onderwijs: 5 krachtige leerprincipes vertaald naar de praktijk. Huizen, Pica
  • Jitske Schulte (2010) Breingeheimen. Leuker, slimmer, makkelijker en sneller leren. Princep educatief

Jezelf overhoren, hoe doe je dat?

Altijd handig, zo’n ouder, vriend of vriendin, klasgenoot of studiebegeleider die je vragen stelt, maar soms is het ook handig als je jezelf kunt overhoren. De volgende manieren kun je inzetten om bij jezelf na te gaan of je het geleerde ook echt kent:

  1. Bij het leren van woordjes kun je gebruikmaken van de zogenaamde afdekmethode of jezelf laten overhoren door een van de vele overhoorwebsites zoals wrts en woordjesleren.nl.
  2. Bij vakken als geschiedenis, aardrijkskunde en biologie kun je vragen formuleren die over de lesstof gaan. Stel vragen die beginnen met de volgende woorden: Wie? Waarheen? Wat? Wanneer? Waardoor? Waarvandaan? Waarmee? Waarom? Hoe? Als je deze vragen over een bepaalde onderwerp kunt beantwoorden, dan weet je er al heel wat van. Je kunt ook vragen formuleren op basis van de leerdoelen die bij sommige vakken worden opgegeven.
  3. Je kunt ook jezelf overhoren door aan een ander te vertellen waar de leerstof over gaat. Hierdoor onthoud je beter wat je moet leren, en merk je ook welke stukken van de leerstof je nog niet zo goed kent.

Bronnen:
  • Jitske Schulte (2010) Breingeheimen. Leuker, slimmer, makkelijker en sneller leren. Princep educatief
  • Inge Verstraete & Karin Nijman (2016) Handboek leren leren voor het voortgezet onderwijs: 5 krachtige leerprincipes vertaald naar de praktijk. Huizen, Pica

Prioriteiten stellen, hoe doe je dat?

Soms heb je zo veel dingen tegelijk te doen, dat je niet meer weet waar je moet beginnen. Prioriteiten stellen is dan heel belangrijk. Met de volgende tips lukt het je zeker om te weten wat je eerst moet gaan doen, en wat daarna.

Maak eerst een lijstje met alle dingen die je van jezelf moet doen. Stel jezelf daarna de volgende twee vragen:

  1. Is het dringend of niet zo dringend?
  2. Is het belangrijk of niet zo belangrijk?

Alles wat zowel dringend als belangrijk is, moet je meteen doen. Alles wat belangrijk is, maar niet dringend, kun je inplannen in je agenda. Alles wat wel dringend is, maar niet belangrijk, kun je afhandelen na de dingen die zowel dringend als belangrijk zijn, of kun je uitbesteden aan iemand anders. En alles wat niet dringend en ook niet belangrijk is? Dat doe je gewoon lekker niet.

Deze antwoorden op bovenstaande vragen zijn samengevat in het prioriteitenmodel. Dit model is bedacht door Dwight Eisenhower. Het ziet er als volgt uit:

  Dringend Niet dringend
Belangrijk Nu doen Inplannen in agenda
Onbelangrijk Afhandelen na 1 of uitbesteden Niet doen

Dit schema voor prioriteiten stellen is handig om vooruit te kijken en te plannen. Het is een eenvoudige manier om om te gaan met dagelijkse taken zoals maak- en leerwerk en om langetermijnplanning te maken. Het dwingt je om onderscheid te maken tussen taken die dringend en belangrijk zijn, zodat je de juiste prioriteiten stelt.

Executieve functies, wat zijn dat?

Je komt het steeds vaker tegen: het ontwikkelen van de  executieve functies is een belangrijk onderdeel van studiebegeleiding. Maar, wat zijn dat precies, executieve functies?

Executieve functies zijn vaardigheden die je helpen bij het uitvoeren van bepaalde taken. Bijvoorbeeld het plannen van huiswerk, op tijd beginnen met leren, geconcentreerd blijven werken en inschatten hoe veel tijd iets kost. Het gaat er om dat je kortetermijnbehoeften kunt uitstellen ten behoeve van langetermijnbehoeften. Het beschikken over deze vaardigheden blijkt een goede voorspeller te zijn voor schoolsucces en sociaal gedrag.

Executieve functies zijn te verdelen in twee categorieën. De eerste categorie zijn de denkvaardigheden. Dit zijn vaardigheden waarme je doelen kunt realiseren of oplossingen voor problemen kunt bedenken. De tweede categorie zijn vaardigheden die gaan over het sturen of aanpassen van gedrag, om zo een doel te kunnen bereiken.

Onder de denkvaardigheden worden de volgende executieve functies verstaan:

  • Planning: de vaardigheid om een plan te bedenken om een doel te bereiken en het vermogen om te beslissen waar je de aandacht op richt of niet.
  • Organisatie: de vaardigheid om zaken te ordenen volgens een bepaald plan of systeem.
  • Timemanagement: de vaardigheid om een tijdsinschatting te maken, tijd kunnen indelen en binnen een tijdslimiet kunnen werken.
  • Werkgeheugen: de vaardigheid om informatie in het geheugen te houden bij complexe taken.
  • Metacognitie: de vaardigheid om te reflecteren en evalueren op wat je hebt gedaan.

Onder de gedragsregulerende vaardigheden worden de volgende executieve functies verstaan:

  • Reactie-inhibitie: de vaardigheid om na te denken voor je iets doet.
  • Emotieregulatie: de vaardigheid om emoties te reguleren om doelen te realiseren, taken te voltooien of gedrag te controleren en te sturen.
  • Volgehouden aandacht: de vaardigheid om je aandacht vast te houden bij een situatie of taak, ondanks eventuele afleidingen.
  • Taakinitiatie: de vaardigheid om zonder uitstel aan een taak te beginnen.
  • Flexibiliteit: de vaardigheid om je gedrag aan te passen aan veranderende omstandigheden.
  • Doelgericht doorzettingsvermogen: de vaardigheid om te werken zonder afgeleid te worden.

Bronnen:
  • Inge Verstraete & Karin Nijman (2016) Handboek leren leren voor het voortgezet onderwijs: 5 krachtige leerprincipes vertaald naar de praktijk. Huizen, Pica
  • Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling SLO (http://www.slo.nl/primair/themas/jongekind/lexicon/Executievefuncties)

Hoe maak je een mindmap?

Een mindmap is een handige manier om informatie uit een tekst overzichtelijk weer te geven. Het is eigenlijk een andere manier van samenvatten. Je kunt een mindmap goed gebruiken als je wil leren voor de stof van geschiedenis, aardrijkskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie of levensbeschouwing. Door het maken van een mindmap zie je goed wat hoofd- en bijzaken zijn.

In een mindmap verwerk je steekwoorden uit de tekst, die je aanvult met je eigen kennis. Je verbindt de verschillende onderdelen van een mindmap met elkaar door lijnen en pijlen. Wat je nodig hebt is een paar lege A4’tjes, een pen en potloden of stiften. De volgende stappen kunnen je helpen bij het maken van een goede mindmap:

Stap 1: Schrijf het hoofdonderwerp of de titel van de paragraaf in het midden van een blad. Je maakt namelijk een mindmap per paragraaf.

Stap 2: Schrijf hieromheen de verschillende deelonderwerpen. Deze kun je vaak afleiden uit de tussenkopjes. Je kunt ook gewoon de tussenkopjes opschrijven. Trek een lijn van het hoofdonderwerp naar elk deelonderwerp.

Stap 3: Schrijf om de deelonderwerpen heen steekwoorden uit de tekst die bij dit deelonderwerp horen. Je kunt dit met pijlen eraan verbinden. Natuurlijk mag je deze steekwoorden ook tekenen.

Stap 4: Vul de mindmap aan met wat je zelf nog over het onderwerp weet of waar het je aan doet denken. Door dit te doen leg je verbindingen in je hersenen. Die verbindingen zorgen er weer voor dat je het beter onthoudt.


Bronnen:
  • Inke Brugman & Lenneke Bazen (2010) Ik leer beter leren: cursus ter verbetering van studievaardigheden, gericht op informatie opnemen. Apeldoorn, Garant

Vier tips voor de toets wiskunde

Help! Binnenkort heb je een toets van wiskunde. Dat je nauwkeurig moet werken en altijd je berekening op moet schrijven, dat wist je vast al wel. Maar dat is niet het enige waar je op moet letten bij de toets.  Studiekunst geeft vier tips:

  1. Lees eerst de hele opgave rustig door. Dan weet je waar de vraag naartoe gaat en welke gegevens uit de opdracht je wanneer nodig hebt.
  2. Als het een lange opdracht is, helpt het om de belangrijke wiskundige gegevens te onderstrepen of op een kladblaadje te schrijven. Wiskunde gegevens zijn natuurlijk alle formules en getallen die je tegenkomt, maar ook zaken als “h in meters” en “t in weken“.
  3. Als je de opgave afhebt, bedenk je dan de volgende twee punten:
    • Welke eenheid moet erachter (cm, m, °C, km/uur, cm, weken, etc). Dit staat altijd in de vraag!
    • Op hoeveel decimalen moet je afronden? Als er niets staat, rond je af op twee decimalen.
  4. Vraag je altijd af of je antwoord logisch is. Als de vraag bijvoorbeeld is hoeveel liter water er in een ton past, kan het antwoord nooit -3,6 zijn.

Succes!

 

Hoe maak je een goede samenvatting?

Voor vakken als geschiedenis, levensbeschouwing, maatschappijleer, biologie en aardrijkskunde moet je vaak veel tekst lezen en leren. Het maken van een samenvatting is dan handig. Samenvatten is een goede manier om actief met de lesstof om te gaan, zodat je het beter onthoudt. Ook is samenvatten een goede voorbereiding op de toets. Je moet immers de hoofdzaken uit de tekst halen. Maar…. hoe maak je nou een goede samenvatting?

  1. Je maakt een samenvatting per paragraaf. Begin met globaal lezen. Je kijkt naar de titel, tussenkopjes, plaatjes en opvallende woorden. Vraag jezelf af waar de tekst over zou kunnen gaan en wat je al van dit onderwerp weet.
  2. Vervolgens ga je de tekst goed doorlezen. Onderstreep of markeer de belangrijkste woorden, of schrijf ze op een kladblaadje. Tip: meestal staat de belangrijkste informatie in de eerste of laatste zin van een alinea.
  3. Je begint met het maken van de samenvatting. Neem de titel van de paragraaf over en schrijf ook de tussenkopjes op. Probeer per alinea in één zin op te schrijven waar het over gaat. Doe dit ook voor de andere alinea’s. Het is heel belangrijk dat je de samenvatting in je eigen woorden schrijft. Letterlijk zinnen uit het boek overnemen heeft namelijk geen zin.

Het maken van een samenvatting zal in het begin lastig zijn en vrij veel tijd kosten. Als je het vaker doet zul je merken dat het steeds sneller gaat, en dat je ook beter weet waar je de belangrijkste informatie in een tekst kunt vinden. Samenvatten moet je ook leren!

 


Bronnen:
  • Jitske Schulte (2010) Breingeheimen. Leuker, slimmer, makkelijker en sneller leren. Princep educatief,
  • Inge Verstraete & Karin Nijman (2016) Handboek leren leren voor het voortgezet onderwijs: 5 krachtige leerprincipes vertaald naar de praktijk. Huizen, Pica
  • Inke Brugman & Lenneke Bazen (2010) Ik leer beter leren: cursus ter verbetering van studievaardigheden, gericht op informatie opnemen. Apeldoorn, Garant