Woordjes leren – vier manieren

De woordjes leren voor Frans, Duits, Engels of soms zelfs voor Nederlands, het lijkt iedere keer weer een hele opgave. Alleen maar doorlezen is vaak niet voldoende. Er zijn verschillende manieren om voor de talen te leren. Ken jij ze allemaal al?

  1. Afdekken: in de meeste lesboeken staan de woordjes in rijtjes. Eerst staat het Nederlandse woord, met daarachter het Franse, Duitse of Engelse woord (of andersom natuurlijk). Een simpele manier om de woordjes te leren is een stuk papier te leggen op de Nederlandse woorden en zo jezelf te overhoren.
  2. Per onderwerp: woordjes onthoud je beter wanneer ze in een logisch verband staan. Moet je woorden kennen die te maken hebben met voorwerpen in huis? Verdeel die dan in voorwerpen die thuishoren in de woonkamer, garage, slaapkamer, enzovoorts. Veel makkelijker!
  3. Woordkaartjes: gebruik hiervoor een aantal kleine papiertjes, van 3×5 centimeter. Op ieder woordje schrijf je een woord in de taal die je moet leren. De Nederlandse vertaling schrijf je op de achterkant. Leg de woordkaartjes op één stapel. Je kunt jezelf overhoren door steeds een kaartje van de stapel te pakken en je antwoord dan te controleren. Woordjes die je nog niet kent leg je dan op een aparte stapel – die moet je nog een keer herhalen.
  4. Internet: soms moet je niet te moeilijk doen. Op internet vind je heel wat sites die je helpen om woordjes te oefenen, bijvoorbeeld wrts. Gebruik deze websites!

Bronnen: Jitske Schulte (2010) Breingeheimen. Leuker, slimmer, makkelijker en sneller leren. Princep educatief